Roaldcs 🚲 📣's banner
Roaldcs 🚲 📣's profile picture

Roaldcs 🚲 📣

@roaldcs8,582 subscribers

Roald Schoenmakers Libertarian and small business owner in digital marketing in Spain + Argentina.

Shorts

Waarom haten zoveel intellectuelen het kapitalisme? Volgens de Franse denker Bertrand de Jouvenel en de Spaanse econoom Jesús Huerta de Soto Jesús Huerta de Soto ligt de verklaring niet uitsluitend in economische argumenten. Zij noemen vier drijfveren: onwetendheid, hoogmoed, ressentiment en afgunst. De eerste is onwetendheid. Veel intellectuelen zien de economie als een machine die bewust ontworpen en bestuurd kan worden. Zij begrijpen onvoldoende dat de markt een spontaan ordeningsproces is. Miljoenen mensen beschikken ieder over kleine stukjes lokale, praktische en voortdurend veranderende kennis. Via prijzen, winst en verlies wordt die verspreide kennis gecoördineerd. Geen minister, hoogleraar of planbureau bezit haar in haar geheel. Wie dat mechanisme niet begrijpt, ziet overal chaos, uitbuiting en marktfalen. Zoals Don Quichot windmolens aanviel omdat hij dacht dat het reuzen waren, zo bestrijdt de intellectueel een economisch systeem waarvan hij de werking verkeerd interpreteert. De tweede drijfveer is hoogmoed. De ondernemer vraagt wat mensen vrijwillig willen kopen. De intellectueel meent vaak beter te weten wat mensen zouden móéten willen. Dat verschil is fundamenteel. Op de markt heeft niemand recht op gehoorzaamheid. De ondernemer moet anderen overtuigen en dienen. Wie waardeloze producten levert, lijdt verlies. Wie een boek, krant, kunstwerk of politieke theorie maakt, krijgt evenmin automatisch erkenning omdat hij zichzelf belangrijk vindt. Juist dat vindt de hoogmoedige intellectueel ondraaglijk. Waarom verdient een ondernemer miljoenen met schoenen, software of goedkope meubels, terwijl zijn verheven ideeën nauwelijks belangstelling krijgen? Zijn antwoord luidt al snel dat de smaak van het publiek verkeerd is. Vervolgens wil hij die smaak via subsidies, onderwijs, regelgeving of censuur corrigeren. Daaruit ontstaan ressentiment en afgunst. In vroegere samenlevingen stond de intellectueel dicht bij hof, kerk of staatsmacht. Zijn status hing samen met toegang tot de machthebber. Het kapitalisme maakt hem afhankelijk van hetzelfde onvoorspelbare publiek als ieder ander. Mensen kunnen zijn krant opzeggen, zijn boek laten liggen en zijn college negeren. De ondernemer accepteert noodgedwongen dat de klant uiteindelijk beslist. De intellectueel beschouwt die onderwerping aan het oordeel van gewone mensen vaak als vernederend. Hij vertaalt zijn persoonlijke teleurstelling vervolgens in een morele aanklacht tegen het hele systeem. De ironie is dat juist het kapitalisme de materiële voorwaarden schiep waaronder grote aantallen intellectuelen konden ontstaan. Welvaart, massaal onderwijs, uitgeverijen, universiteiten, media en vrije tijd werden mogelijk door kapitaalvorming, arbeidsdeling en stijgende productiviteit. Het systeem dat hen voedt, geeft hun echter geen automatisch gezag. Dat is uiteindelijk de diepste ergernis. De markt vraagt niet wie de mooiste theorie heeft, het hoogste diploma bezit of zichzelf moreel superieur acht. Zij vraagt slechts: welke waarde schep je voor anderen, en zijn zij bereid daar vrijwillig voor te betalen? Kapitalisme garandeert niemand aanzien. Het decentraliseert juist het oordeel. En voor intellectuelen die zichzelf als natuurlijke bestuurders van de samenleving beschouwen, is er weinig beledigender dan een wereld die zonder hun leiding blijkt te functioneren.

Waarom haten zoveel intellectuelen het kapitalisme? Volgens de Franse denker Bertrand de Jouvenel en de Spaanse econoom Jesús Huerta de Soto Jesús Huerta de Soto ligt de verklaring niet uitsluitend in economische argumenten. Zij noemen vier drijfveren: onwetendheid, hoogmoed, ressentiment en afgunst. De eerste is onwetendheid. Veel intellectuelen zien de economie als een machine die bewust ontworpen en bestuurd kan worden. Zij begrijpen onvoldoende dat de markt een spontaan ordeningsproces is. Miljoenen mensen beschikken ieder over kleine stukjes lokale, praktische en voortdurend veranderende kennis. Via prijzen, winst en verlies wordt die verspreide kennis gecoördineerd. Geen minister, hoogleraar of planbureau bezit haar in haar geheel. Wie dat mechanisme niet begrijpt, ziet overal chaos, uitbuiting en marktfalen. Zoals Don Quichot windmolens aanviel omdat hij dacht dat het reuzen waren, zo bestrijdt de intellectueel een economisch systeem waarvan hij de werking verkeerd interpreteert. De tweede drijfveer is hoogmoed. De ondernemer vraagt wat mensen vrijwillig willen kopen. De intellectueel meent vaak beter te weten wat mensen zouden móéten willen. Dat verschil is fundamenteel. Op de markt heeft niemand recht op gehoorzaamheid. De ondernemer moet anderen overtuigen en dienen. Wie waardeloze producten levert, lijdt verlies. Wie een boek, krant, kunstwerk of politieke theorie maakt, krijgt evenmin automatisch erkenning omdat hij zichzelf belangrijk vindt. Juist dat vindt de hoogmoedige intellectueel ondraaglijk. Waarom verdient een ondernemer miljoenen met schoenen, software of goedkope meubels, terwijl zijn verheven ideeën nauwelijks belangstelling krijgen? Zijn antwoord luidt al snel dat de smaak van het publiek verkeerd is. Vervolgens wil hij die smaak via subsidies, onderwijs, regelgeving of censuur corrigeren. Daaruit ontstaan ressentiment en afgunst. In vroegere samenlevingen stond de intellectueel dicht bij hof, kerk of staatsmacht. Zijn status hing samen met toegang tot de machthebber. Het kapitalisme maakt hem afhankelijk van hetzelfde onvoorspelbare publiek als ieder ander. Mensen kunnen zijn krant opzeggen, zijn boek laten liggen en zijn college negeren. De ondernemer accepteert noodgedwongen dat de klant uiteindelijk beslist. De intellectueel beschouwt die onderwerping aan het oordeel van gewone mensen vaak als vernederend. Hij vertaalt zijn persoonlijke teleurstelling vervolgens in een morele aanklacht tegen het hele systeem. De ironie is dat juist het kapitalisme de materiële voorwaarden schiep waaronder grote aantallen intellectuelen konden ontstaan. Welvaart, massaal onderwijs, uitgeverijen, universiteiten, media en vrije tijd werden mogelijk door kapitaalvorming, arbeidsdeling en stijgende productiviteit. Het systeem dat hen voedt, geeft hun echter geen automatisch gezag. Dat is uiteindelijk de diepste ergernis. De markt vraagt niet wie de mooiste theorie heeft, het hoogste diploma bezit of zichzelf moreel superieur acht. Zij vraagt slechts: welke waarde schep je voor anderen, en zijn zij bereid daar vrijwillig voor te betalen? Kapitalisme garandeert niemand aanzien. Het decentraliseert juist het oordeel. En voor intellectuelen die zichzelf als natuurlijke bestuurders van de samenleving beschouwen, is er weinig beledigender dan een wereld die zonder hun leiding blijkt te functioneren.

14,956 просмотров